Paleo dieet

In het paleolithicum hadden de bewonners van de’hedendaagse Spaanse regio “Madrid”   een echt #paleo dieet, aldus onderzoekers http://www.eurekalert.org/pub_releases/2012-04/f-sf-om042412.php?utm_source=dlvr.it&utm_medium=twitter

Wij moderne mensen kunnen nog steeds het merg uit de botten consumeren hoor: gewoon een ‘soepje’ trekken uit een megpijp. Moeilijk: nee hoor vraag maar aan je moeder of je oma, pak het libelle kookboek jaargang 1956 of klik hier http://www.mijnreceptenboek.nl/ingredienten/rundvlees/mergpijp.html

Ik zeg doen!

Klapperolie deel II

Klapperolie deel II….

Dire Straits schreef ooit al eens een hit met het volgende refrein: cos’ if you wanna run cool, if you wanna run cool. Yes if you wanna run cool. You’ve got to run on heavy, heavy fuel!” daarmee doelende op een dieet van hamburgers, scotch en nicotine. Niet echt #paleo maar wel een mooi bruggetje naar het vervolg op mijn eerste stukje over klapperolie en afvallen.

Marathon: 

Hier boven had net zo goed de titel kunnen staan: “van kerosineverbranding naar een hout gestookt vuurtje”, waar de kerosine staat voor fructose en het hout gestookt vuurtje voor kokosolie. In ieder geval ik wilde wel run cool want ik had met een groepje collega’s ingeschreven voor de Business Estafette Run van de Rotterdam Marathon. Een groepje ismarin misschien een wat te bescheiden woord want we waren met in totaal 17 teams van 4 lopers / loopsters. Het snelste team Caldic 8 liep in 3:09:09 en het team dat het meeste aanmoediging verdiende, mijn team dus, liep de 42km en een beetje in ca 4:17:20. Het ging natuurlijk niet om verliezen en winnen maar om meedoen en dat is wat telde. Zoals gezegd het was een estafette in teamverband en de 42,195km was ongeveer gelijk, nou ja gelijk, verdeeld in 4 stukken van respectievelijk 10.3, 10, 13 en 9.6km. Om de te lopen afstanden eerlijk te verdelen onder ons team hadden we strootjes getrokken en ik trok aan het kortste eind en mocht het langste eind lopen, klinkt logisch, ook omdat de andere teamleden veel jonger en onervarener waren als ik…..dus dat waren ze niet want ze waren veel beter getraind dan ik. In mijn voorbereiding had ik, met Evie Gruyaert’s Start to Run op mijn mp3, niet meer dan 5km gelopen en dan nog maar één keertje aan één stuk.
Energiecrisis.  

Om die 13 km te lopen moest ik trainen, doch om geen blessures tijdens de voorbereiding en trainingen op te lopen moest ik minder trainen dan ik wilde en minder dan er echt voor nodig was om die 13km goed te volbrengen en dus bedacht ik, om het voor mezelf wat lichter te maken, dat ik moest afvallen en fors ook. In gedachte houdend dat je tijdens het hardlopen bij iedere landing 3x je lichaamsgewicht opvangt vond ik dat ik minstens 6-7kg moest afvallen. Lees hier verder hoe ik dat heb gedaan in precies 6 weken en dat zonder honger: https://1skateguru.wordpress.com/2012/03/03/klapperolie/ . Ook moest ik iets bedenken om het veronderstelde energietekort, door het vermeende gebrek aan koolhydraten, op te vangen. Want het door mij vrij geïmproviseerde ‘low-carb’ of zelf samengestelde ‘paleo-light’ dieet liet dus weinig koolhydraten uit graszaad toe en al helemaal niet het old-skool ‘koolhydraten stapelen’ wat ik in het verre verleden als wielrenner heb geleerd. Een lokale energiecrisis, lokaal en dan wel in mijn lichaam dreigde, of toch niet? Effekes uitleggen: paleo betekent vooral geen graszaad (graanproducten) eten, maar het dieet dat voor de landbouwrevolutie als normaal gold voor ons mensenras, bestaande uit jagers-verzamelaars. Een dieet van vlees, vis, schelpdieren, knollen, noten, bladgroenten en fruit. Graszaad eten? Dat is niet grappig bedoeld hoor want tarwe, mais rijst en dergelijke zijn grassoorten en zijn op evolutionaire schaal die miljoenen jaren bestrijkt, relatief nieuw (een paar duizend jaar dus) in de humane voeding en ons miljoenen jaren oude menselijke verteringssysteem heeft in die paar duizend jaar kennelijk niet goed geleerd om met die hoeveelheid graszaden die we vooral de laatste 10-tallen jaren tot ons nemen om te gaan. Ik weet dat ik hier geen scheve vergelijking ga maken want sinds de jaren ’60, en gek genoeg valt dat samen met de introductie van zelfbedieningssupermarkten, zijn we nog meer koolhydraten uit graszaad (tarwe, mais, rijst etc) en suiker gaan gebruiken. Lees verder op “paleo”  wat dat met je doet.
Mijn stukje marathon dus.  

Om nu 6 weken dieet met geen koolhydraten uit graszaad in één keer over boord te gooien om een stukje van 13km te rennen vond ik absurd en totaal onnodig. Ik voelde, nee ik wist zeker dat ik die 13km kon lopen op mijn semi #paleo-ontbijt, bestaande uit een in kokosolie gebakken ei met kleine tomaatjes en een glas bronwater om 7 uur ’s-morgens. Ik wist ook zeker dat ik geen sportdrank nodig zou hebben, géén gels met snelle suikers of iets anders met suiker. Ik was namelijk niet meer afhankelijk van suiker in de breedste zin van het woord. Ook brood bestaat, in deze uit een groot aandeel suiker, ook beschuit en knäckebröd voor wie dat nog niet wist. Zetmeel, bloem, meel, ook in zekere zin allemaal koolhydraten die worden gerekend tot suiker, dames en heren. Dus dat had ik al 6 weken niet meer in mijn dieet.  Om 8:30 uur verzamelden we op het hoofdkantoor van mijn werkgever op de Blaak om met zijn allen een sportontbijt te genieten. Ik niet dus, ik nam zwarte koffie, 3 kopjes. Op tafel stonden verschillende soorten sportdranken, sportrepen, krentenbollen, bananen etc. en iedereen tastte toe en nam extra mee voor onderweg. In een moment van twijfel heb ik een banaan in de band van mijn broek  gestoken. Zien graaien doet graaien. “Je weet maar nooit jochie, en 13km is best lang”, zei de Japie Krekel meerdere keren in mijn hoofd. Op mijn van foto vlak voor het 6km punt op de Erasmusbrug zie je dat ik die banaan nog bij me heb (geen grapjes over de bobbel in de broek a.u.b.). Zo rond 10.00 vertrokken de verschillende groepen naar de verschillende wisselpunten per afstand. De groep met de ‘derde’ lopers, waaronder ik zelf vertrok met de bus naar de Dorpsweg op Zuid. Daar aangekomen moesten wij de andere lopers van deel 2 afwachten. De eerste lopers vertrokken om 10:30 van de Coolsingel. Ik werd pas afgelost om 12:50 uur, dus na meer als 2,5 uur kou lijden in een ijskoude snijdende wind die over de Dorpsweg gierde. Gelukkig kon ik de jas en broek van mijn tweede loopster, die zij mij had meegegeven om zich warm aan te kleden na haar 10km, over mijn kleren aantrekken. Uiteindelijk begon ik toch redelijk koud en stram aan mijn 13km stukje, vol goede moed, en ik moet zeggen welgemutst (mooie oranje pet) aansluiten bij een groep andere marathonners. Kalm aan en rustig beginnen zei mijn meefietsende skeelervriendinnetje meerdere malen. Ik herinner me nog dat ik onderweg riep: “Is dit alles, het gaat hartstikke makkelijk”, maar ja het was nog ver. Met in mijn gedachten de Erasmusbrug op ca. 6km, met een snoei harde tegenwind als scherprechter van de marathon, bewaarde ik mijn ‘cool’ en hield me rustig. Eén keer lied ik me verleiden door een versnelling omdat iemand mij inhaalde. Kan er niks aan doen hé, jonge hond dat ik ben. Maar ook die versnelling ging super. 3km lang heb ik achter 2 dames (zwart T-shirt met tekst ‘Matties’) gelopen die voor 4:30 en een beetje gingen. Ze liepen zoveel minuten per km en zus en zo en x pace per mile. Het duurde even voor ik dat omgerekend had in km per uur en mijn trouw meefietsende skeelervriendinnetje bevestigde de snelheid, tussen 9 en 10km/uur. Te langzaam want ik had aangekondigd 1:15 te lopen over die 13km, maar ook ver vóór 14:00 uur de laatste loper van onze groep het estafettelintje te overhandigen opdat we een finishtijd van tussen 4:10 en 4:15 zouden halen, wat wij hadden uitgerekend als zijnde ‘niet het laatste Caldic team’. Maar ja, twee dingen werkten niet mee. Onze eerste loopster van onze groep had een astma-aanval gehad en kwam 15 minuten later aan dan uitgerekend en die had de tweede loopster niet veel goed kunnen maken en die vermaledijde Erasmusbrug lag nog voor mij, rustig en geduldig wachtend als een krokodil die wacht op de jaarlijkse trek van de gnoe’s. Een klein versnellinkje, even proberen, voor mezelf. Bij de ravitaillering een beker water genomen. Hardlopen en drinken gaan niet samen, dus even een paar wandelpassen om die paar slokken naar binnen te werken en dan weer snel verder gaan. Gauw een klein stukje kant-en-klaar-gepelde banaan meegepikt van de tafel, maar daar kreeg ik spijt van, want al hardlopende kon ik ook nauwelijks kauwen.
De Brug.

De brug lag voor me en tegen alle verwachting liep ik soepel omhoog en moest me zelf inhouden om niet te hard naar beneden te lopen. Nog een hindernis, de tunnel onder de Blaak, maar daaruit omhoog dravend (geweldige drum- percussieband daar) wist ik t zeker: “ik heb de benen en ik moet en kan versnellen”. Was even mijn skeelervriendinnetje kwijt, maar één blik naar opzij toen zij daar weer was bevestigde genoeg: “het ging goed, nog steeds!” Boezemweg, Crooswijk, wow wat een publiek, nog maar een keer een ietsje pietsje versnellen voor het juichende en joelende publiek. Nog steeds goede benen, wow, hoe kan dat? Daar kwam het gevreesde Kralingse Bos al aan, met die 3km lange weg met die bocht die maar niet eindigt en waar je het wisselpunt maar niet kan zien. In voorgaande jaren heb ik daar van verschillende collega’s de energielevels diverse keren zien doven als een nachtkaars. Géén optie voor mij en ik gooide er nog een schep bovenop. “Dat moest, en dat moest, en dat zal en dat moet kunnen want het einde van mijn 13km was in zicht”. Het gekke is dat ik gedragen werd door de gedachte dat ik goede benen had en doordat je zoveel mensen inhaalde, werd dat gevoel alleen maar versterkt en draafde ik door en door, in lange passen en een voor mijn doen hoog ritme. Nu moet toch de man met de hamer komen, nu moet de brandstof toch op zijn? Nee, ik had nog genoeg om ook die laatste km er uit te persen en mijn collega met het lintje weg te sturen. Nu ging mijn banaantje eraan en een halve Twix er achter aan. Mijn tijd over 13km 1:05:00 dus iets meer als 12km/uur gemiddeld. Dan moet dat laatste stuk echt boven de 13km per uur zijn geweest concludeerde een beter calculerende collega snel. Eindtijd van ons team totaal 4:17:20 en dus waren wij van de bedrijfsteams de “winnaar van de aanmoedigingsprijs”. Van het laatste wisselpunt af op de oude fiets van mijn zo juist op weg gestuurde collega naar kantoor op de Blaak gefietst, onderwijl hem een paar keer van de kant aanmoedigend toejuichend. Lekker douchen in het geregelde hotel, dan met zijn allen afbieren (6 weken geen biertje gedronken = ook graszaad hé) en met zijn allen naar de Pizzeria. Herstelbiertje? Moet kunnen na 6 weken….zonder kerosine, zonder suiker of zetmeel uit graanproducten. 6 weken op een brandstof uit vetten en proteïnen uit vlees en vis, salades en groenten, knollen en kolen, noten en pitten en fruit. 6 weken zonder snelle brandstof waarbij de kerosine staat voor suiker en zetmeel, met als apotheose een 13km prestatieloop gelopen op het energie equivalent van een houtvuurtje, in vergelijking dan tot de kerosine.
Spierpijn.

Ja spierpijn heb ik natuurlijk wel gehad. Veel te weinig getraind op hardlopen natuurlijk, maar na 3 dagen was het ergste wel voorbij en op donderdag zat ik alweer op de spinningbike.

Ranja is back

Inderdaad Ranja is terug op het toneel van de de frisdranken en limonadesiropen, met een aantal smaken en met een variant met Stevia. ik vind dit goed nieuws! Een kleine fabrikantranja met stevia die de vernieuwing aandurft. Chapeau!
Lees hier meer:http://www.vmt.nl/ranja-maakt-comeback-in-drankenland.166815.lynkx

Volgens media- en marketinggoeroe Paul Moers is dit project gedoemd te mislukken omdat er geen reclamebudget is, lees hier  meer: http://www.vmt.nl/nieuws/vmt-nieuws/2012/ondanks-scepsis-blijft-burg-overtuigd-succesvolle.169025.lynkx Flagrante onzin! Waar haalt die man ’t lef vandaan om sociale media als mijn  blog en mijn  twitter en mijn facebook en al die blogs en twitter en facebookberichten van jullie te ontkennen! Daarbij hebben oude merken nog steeds opvallend veel succes, dus ik zeg: “gewoon meeliften op het succes van oude merken die weer volop in zwang raken”. Niet voor niets werd Verkade vorig jaar uitgeroepen tot ‘Merk van het Jaar’. Daarbij is Burg, de producent en merkeigenaar van Ranja een niet zo’n erg grote multinational als Coco Cola of Pepsico, dus mijn sympathie hebben ze bij voorbaat.

Johnny Lion zong in 1963 al over Ranja en Sophietje die deze limonade dronk met een rietje op een Amsterdams terras. Iedereen van ’45-plus iets’ is er toch mee opgegroeid, tot je als kind de aanmaaklimonade te nuffig vond en er niet meer met je vrienden mee gezien wilde worden. Maar beste lezertjes en lezerinnetjes, ‘retro’ is in en met Stevia is de eerste natuurlijke zoetstof voor onze kinderen en kleinkinderen in limonade beschikbaar. Daar komt nog bij dat een beetje Ranja, aangelengd met water, aanzienlijk minder tandonvriendelijke zuren bevat dan een gemiddelde frisdrank.

Cheers!

toen ik nog jong was

Toen ik jong was…..   

“Ja pa toen jij jong was, toen was alles beter bla bla bla”, reageren mijn pubers dan. Zo oud ben ik toch niet, of toch wel? In de ogen van de kids ben ik gewoon een halve eeuw oud, 50 jaar, wat scheelt het. En als ik ze erom vraag willen ze best wel toegeven dat ik sportief en fit ben, zeker in vergelijking met vele andere vaders, bijvoorbeeld de vaders van hun vrienden. Die geruststelling duurt overigens maar heel kort hoor, want tja, ook al ben ik 50, mijn geheugen werkt nog prima en ik herinner me dan ook feilloos hoe het was in mijn jeugd, van pakweg mijn 4e tot 10e levensjaar. Nee dit wordt niet zo’n verhaal dat de winters altijd kouder waren en dat de sneeuw altijd zo en zo hoog lag, dat was ook wel zo maar dat is te makkelijk. Nee dit wordt ook niet zo’n “langs het tuinpad van mijn vader”-verhaal. Nee, ik wil het eigenlijk meer hebben over de manier van leven, wat er gegeten werd en hoe er geconsumeerd werd in die tijd. Waar is dat nou voor nodig, zult u zeggen? Nou een beetje reflectie kan geen kwaad en bovendien is ons dagelijks eten en eetpatroon in die 40 jaar dat mijn jeugd zich scheidt van mijn 50e levensjaar zo drastisch verandert dat misschien zelfs daarin al een makkelijk te vinden sleutel verborgen ligt in het voorkomen of tegengaan van meerdere welvaartsziekten zoals suikerziekte en overgewicht (wanneer zijn we de term obesitas gaan gebruiken eigenlijk?). Is het dan niet voor de gehele goegemeente, dan zeker wel voor u zelf, de lezertjes van mijn blog.

 Opa.  

Mijn opa had een kruidenierswinkel, waterstokerij en kolenhandel. Zo’n winkeltje op de hoek waarin ieder gezinslid meewerkte en waar iedereen die tot dezelfde klasse en geloofsovertuiging hoorde zijn dagelijkse kruidenierswaren kocht. Geloof me, klassen waren toen nog gescheiden en als de predikant of pastoor van kerk x of y verkondigde, omdat een gelovige winkelier van het geloof x of y dat bij de betreffende voorganger influisterde, dat men ergens niet meer zijn boodschappen moest doen, dan deed men dan ook niet meer. Broodnijd in deze is niet alleen een uitdrukking gebezigd door bakkers. Je snapt ‘t al, mijn opa was niet kerks, doch slechts ‘werks’. Een kolenhandel en waterstokerij in de jaren 60 was overigens niet de beste en meest toekomstgerichte bedrijfstak die men kon kiezen voor zijn familie en opvolgers, immers het gasnet met schone aardgas uit Slochteren werd in alle dorpen en steden fluks aangelegd, zo ook in alle huizen de daarbij behorende voorzieningen die daarmee gestookt konden worden zoals gaskachels, en warmwatergeisers. Bleef dus over die kruidenierswinkel.

Kruidenierswinkel.

Mijn opa had dus een kruidenierswinkel en dan ook nog eentje met ‘uitbreng’, ook zo’n mooie uitdrukking die niet meer gebruikt wordt. Een belangrijk aandeel in de omzet van bijna elke kruidenierswinkel van toen bestond uit de ‘uitbreng’ of venterij. Van alle vaste klanten was er een boodschappenboekje aanwezig. De klant schreef daarin zijn benodigde kruidenierswaren. Eenmaal per week haalde de winkelier alle boekjes op. Alle genoteerde bestellingen werden door opa en oma in hun winkel verzameld, waarna opa de boodschappen aan huis bezorgde. Voor die bezorging gebruikte de hij een Ford stationcar auto. De kruidenierswinkel was dus een bedieningswinkel, zonder het woordje ‘zelf’ als tegenhanger van onze moderne zelfbediening supermarkt. Opa ontving van de grossiers de artikelen in grootverpakking. Suiker werd geleverd in papieren zakken van 50 kg; erwten, bonen, rijst, koffie en dergelijke in grote jutebalen; kaakjes en beschuit in dozen, trommels en potten; zout, stroop en zuurkool in grote vaten. Alles werd terplekke afgewogen en overpakt in kleinere zakjes. Koffie werd terplekke in de winkel gemalen of door de klanten thuis. Alles werd afgewogen op de grote Berkel weegschaal op de lange toonbank. Die weegschaal ging tot 500 gram. Als het gewicht daar boven kwam moest je gewichten gebruiken als tegenwicht. Die gewichten moesten regelmatig worden geijkt, omdat gewichten op den duur slijten. De enige voorverpakte etenswaren waren toen pakjes margarine in papier en verder dingen zoals California soep (in blik) en het toch wel heel exotische Goulash (in blik) wat mijn opa tot grote verholen hilariteit van mijn vader steevast ‘Goudlas’ noemde en weigerde dat aan te passen want het was buitenlands. ‘Spam’ en ‘Çorned Beef’ (uitspreken als kornètbief met klemtoon op tweede lettergreep) in blik volgden al snel. Verder werden er kaarsen, waspoeder, blauwsel, stijfsel, zeep (sunlite), en potas verkocht. De enige koeling in de winkel was een soort bruine kast met aan de achterkant een slang voor de smeltwaterafvoer die naar een schrobput liep en waarin iedere week een aantal nieuwe ijsblokken voor de koeling werd gelegd. Vandaar dat de naam ‘ijskast’ nu nog net zo ingeburgerd is als de naam ’koelkast’. Geen modern kind dat nu nog een idee heeft hoe zo’n echte ijskast van toen er uit zag.

Dagelijks eten. 

Waar uit bestond het dagelijkse menu dan in die tijd? Soberheid was de norm. In alles, maar zeker ook in eten. Het menu was in de regel overzichtelijk: brood, boter, kaas, gekookte aardappelen, groenten van het seizoen, en vlees alleen voor wie geld over had en dan wel maximaal 1x per week, op zondag en vis op vrijdag. Uit eten gingen alleen de echte rijken. Het gemiddelde huishouden had maar weinig te besteden en wie wel geld had, was in zijn aankopen beperkt door het geringe aanbod. Ieder dag een andere saus over je groenten of vlees: dat bestond niet. Jus, het vette braadvocht van het vlees, aangelengd met het groentenat, of mosterd, dat ging er over je stamppot. Was het te droog, dan kreeg je er een klontje roomboter over heen. Toetjes: waren er toen niet: je moeder kookte zelf een toetje of pudding (of niet), zoals rijstepap, griesmeelpap , grutte pap of custard. Die pap mocht je pas eten als je eerst je lepel levertraan had gehad. Jakkes wat was dat smerig! Detail: de hoofdmaaltijd van de dag was het warme eten tussen de middag. Iedereen woonde vlak bij de zaak of in dezelfde buurt, arbeiders woonden vlak bij hun werk, scholen hadden geen overblijflokalen en moeder was altijd thuis. Op school kreeg je schoolmelk, welke in de zomer lauw to warm was, met de benodigde vet- en roomklonters boven op, en in de winter ijskoud tot halfbevroren. Geen sultana of liga of ontbijtkoek, alleen die melk. ’s-Avonds had je een broodmaaltijd en dan met haartjes nat in pyjama op de bank kijken naar de uitzendingen van het REM-eiland en als je dan nog honger had, kreeg je nog een blokje kaas in je mond voordat je naar bed ging. Groenten en fruit van het seizoen: dat klinkt erg modieus en eco, maar vroeger had je niks anders: appels had je alleen in de herfst. Okay je had ze ook wel in een ander seizoen, maar dan wel in andere hoedanigheid: geweckt of gedroogd of als appelstroop dus en dat gold ook voor het meeste andere soorten fruit. Spruitjes en boerenkool had je alleen in de winter, bloemkool, andijvie en sla in de zomer. Groentes werden ook wel ingelegd (zoek dat maar eens op in Wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Inleggen ) en dan had je in plaats van witte kool, zuurkool. Diepvriesmaaltijden bestonden nog helemaal niet. Je kreeg één koekje per dag, meestal als je ’s-middags uit school thuis kwam en dat was een mariakaakje (in de thee dopen), speculaasje of ijzerkoekje (http://nl.wikipedia.org/wiki/IJzerkoekje ) al naar gelang het seizoen. De bovenbuurvrouw trakteerde de kinderen van de straat wel eens op eierkoeken. Stond je al gauw een stief kwartier zonder speeksel te kauwen. Je dronk melk, thee of ranjaranja kom weer terug (aanmaaklimonade) en als je volwassen was, koffie. Het ontbijt bestond uit brood of uit havermoutpap of Brinta. Was je nog te jong dan kreeg je Molenaars Kindermeel. Alle groentes werden gekocht bij de groenteboer, het brood bij de bakker en het vlees en de worst bij de slager. Langs de deur kwam de melkboer (melk zat in een fles in een rekje en je lege flessen stonden in een rekje voor de deur), de eierboer en de kaasboer. Er kwam ook een voddenboer, en een schillenboer, maar van die laatste twee hoefde je natuurlijk niks te kopen, maar daardoor werd alle afval dat er was al wel heel netje gerecycled voor dat dit woord überhaupt was uitgevonden. De meeste Nederlanders hadden nog nooit een champignon of paprika geproefd, laat staan nasi, spaghetti of een hamburger. Langzaam aan werd, enerzijds, aangezet door de immigratiedruk en anderzijds door de toegenomen vakantiewelvaart, de Italiaanse en Indische keuken alsmaar populairder. Chinese restaurants waren er toen al een tijdje in de 4 grote steden en de Chinezen speelden handig in op de immigratiegolf uit Nederlands Indië, namen hun eigen Indische ‘kokkies’ in dienst en doopten hun Chinese restaurants om in Chinees-Indische restaurants. Snoep was er nauwelijks. Eén keer in de week, als je geluk had, kreeg je van je moeder of je oma een stuiver en kon je naar de snoepwinkel en daar kon je maar een paar dingen kopen: lolly’s, zuurstok, trekdrop of centdrop, botersnoepjes, borstplaat, ouwel en zoethout voor één cent. Bij de bakker kon je, maar dan pas meestal aan het eind van de werkdag van de bakker, ook nog een veegkoek kopen voor een stuiver. Dat was echt het allergoedkoopste wat er te krijgen was. Die veegkoek heet tegenwoordig heel chique ‘glacé’ of roze koek. De roze glazuurlaag die er op zat was bedoeld om het nog enigszins eetbaar te maken. Hoef toch zeker de naam veegkoek uit te leggen hè? Het was toen een erg overzichtelijke samenleving. Iedereen was lid van een sport- of wandelvereniging van zijn eigen signatuur, geloof of overtuiging, iedereen was lid van één van de vele omroepen uit het verzuilde omroepland, de Mammoetwet moest nog worden ingevoerd, er hing een touwtje uit de brievenbus om de voordeur open te doen en het eten stond om kwart over twaalf (warm) en om 6 uur op tafel en was bovendien eenvoudig, niet voorverpakt of voorbewerkt en kwam niet uit een potje of een zakje, tot….tot de eerste zelfbediening supermarkt (Albert Heijn) zijn deuren opende en mijn opa voor zijn beoogde opvolger (mijn vader dus) de tweede ‘zb’ in het slaperige stadje aan de Nieuwe Waterweg opende, een SPAR.

Homo Obesitus.  

De merkartikelenfabrikanten van die periode, verenigd in de VIVA (Unilever, vd Berg, Jurgens (nu samen Unilever) Calvé (nu ook Unilever), Friesche Vlag, Bolletje, Brinta, Venz cs bedachten onder andere de verticale prijsbinding en de eerste consumentenactie die ik me daar van kan herinneren zijn miniatuuruitgaven van de bekende merkartikelen die je kon verzamelen (wat is nu nieuw aan de reclame supermarktmeneer van de Albert Heijn? Straks komt Ranja nog terug) door een bepaalde hoeveelheid van één product te kopen. Maar met de komst van de zelfbedieningssupermarkten lag ook de weg open voor de verpakte en voorbewerkte levensmiddelen. Jus uit een zakje, Royco soep, Nasi uit blik (Suzie Wan), Saroma-pudding, 3Es limonade (gele gazeuse, champagne pils), Ranja, “Japie King Corn brood” je kent ze vast nog wel. De grootste rages van de jaren ’60 (niet lachen) waren achtereenvolgend: sigarenbandjes verzamelen, speldjes verzamelen, voetbalplaatjes verzamelen, ‘silly-putty’ en klik-klakkers (twee balletjes aan een touwtje die steevast tegen je hoofd knetterden alsklikklak je niet uitkeek), maar dat terzijde. Mensen gingen in nieuwbouwwijken buiten de stad wonen en gingen ’s-morgens met de trein, auto en steeds minder te voet of met de fiets naar het werk en pas ‘s-avonds weer terug. De forens was geboren en daarmee een geheel nieuwe consumptiemaatschappij, die wezenlijk versnelde in de daaropvolgende decennia. Met de forens was ook de nieuwe ongezonde mens geboren ‘homo obesitus’. Obesitas (al werd dat toen, in de jaren zeventig anders genoemd) en diabetes type II zijn zeker oude bekenden, maar ook het aantal brildragers nam in die decennia explosief toe. Wanneer we een verdeling naar tijdvak maken, dan valt onmiddellijk op dat het brilgebruik goed te vangen is middels een parabolische kromme. Is het aantal brillen in het begin van het achtste decennium van de vorige eeuw nog magertjes, eind jaren zeventig is het al fors tot stevig, waarna de laatste jaren voor de eeuwwisseling een lichte afname vertonen, maar dit alleen onder jeugdigen tot 25 jaar. Kijk maar eens naar een middelbare schoolfoto van je ouders of die van jou (mits je nu 45-iets bent, anders je grootouders en ouders). Bij ouderen blijft het aantal brildragers toenemen. Zes op de tien Nederlanders heeft nu een hulpmiddel voor het gezichtsvermogen. De algehele consensus die heerst, is dat computer en TV gebruik hier aan debet zijn, maar als andere moderne welvaartziekten zoals onder andere obesitas, hart- en vaatziekten en diabetes (type II) worden veroorzaakt door onze toegenomen welvaart en veranderende voeding, waarom dan de andere gelijktijdige ontstane kwalen, zoals oogafwijkingen (want dat is slecht zicht tenslotte) niet?

SPAR.      

Die SPAR werd uiteindelijk niets, in ieder geval niet voor mijn vader: te veel personeel en te ‘stads’ en het gezin verhuisde naar de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Eilanden, waar het leven nog goed en de lucht nog gezond was en waar de stadse bleekneusjes en bakvisjes zich tijdens hun vakantie kwamen verpozen. De toegenomen welvaart gaf de mensen ook meer vrije tijd en een groter vakantiebudget en een nieuwe bedrijfstak en een nieuw emplooi voor mijn familie kwam tot ontwikkeling: toerisme.

Dik. 

Geen blog of stukje proza zonder pakkende afsluiting, dus hier komt ie. Van al die zelfbedieningssupermarkten en die voorverpakte levensmiddelen zei mijn oma zaliger altijd: “van alles in een zakje, behalve thee en alles in een potje, behalve augurken, wordt de moderne mens te dik”.

seinen

Seinen
Inline-skaten in een groep is toch heel wat anders dan in je eentje skaten. En dan heb ik het niet over kriskras door elkaar heen rijden over de weg zoals als in een wielerpeloton op jacht naar de kopgroep, nee ik heb het over keurig netjes in een treintje rijden.
Schwalbe
De makke is namelijk, dat als je niet op kop rijdt, maar achter een dikke kont of brede rug van een voorganger, dat je in het algemeen weinig zicht heb op de weg en op onverhoeds opdoemende obstakels of gaten in het wegdek (ja daar zijn skaters gevoeliger voor als fietsers). Daar komt nog bij dat skaters van links naar rechts zwieren en jou dan soms links en dan weer rechts het zicht ontnemen. Daarom is het wel zo lekker dat je voorgangers je waarschuwen voor die al die gaten, paaltjes, klinkers, steentjes, grint, zand, plassen, verkeersdrempels, losliggende stoeptegels, kleiplakkaten en achteloos rondzwervende paardenpoep. Het klinkt allemaal heel logisch en zo, maar dat was het in het begin niet. We riepen maar wat, er zat geen systeem in en pas als we onze voorganger zagen stuiteren, wisten we dat er wat aan de hand was. Als we nog fris en een beetje alert waren wisten we die onfortuinlijke ‘Schwalbe’ soms wel te ontwijken, maar net zo vaak doken we mee naar het asfalt, met als beloning het typische ‘asfalteczeem’ en ongeveer twee weken later de lekkere witte niet door de zon gebruinde ‘second-skin’. Pas toen wielrenster A met ons mee ging skaten werd alles eenduidiger en logischer en werden die typische seintjes en kreten, die wielrenners sinds wielerheugenis gebruiken, ingevoerd.
“Paal”
Afijn. We seinen, roepen en waarschuwen nu al een paar jaar dus heel trouw. Echter, alleen wapperen en zwaaien met de handjes en wijzen naar een naderend object is vaak niet genoeg. De meeste skaters zwaaien tijdens het rijden al met één of twee armen. Dat is niet echt duidelijk dus. Roepen is daarom geen overbodige luxe, maar meestal wordt dat roepen toch begeleid met één van de volgende gebaren. Zo hebben we ‘tegen’ en een vingertje naar links onder voor een tegenligger en ‘voor’ en hand schuin omhoog naar rechts voor een tegenligger aan de rechterkant (meestal wandelaars). Bij obstakels die op de weg liggen of staan volstaan we met een korte kreet, zoals ‘paal’, ‘rand’, ‘brug’ en bijvoorbeeld ‘put’, begeleid met een vingertje naar beneden. De kreten worden door alle rijders in het treintje naar achteren doorgeven. Bij serieuzer gevaar langs de kant van de weg, zoals auto’s, een peloton wielrenners, ruiters te paard of spelende honden, wapperen we met de hand van een richting het object uitgestrekte arm. Bij een kruispunt of oversteekplaats gaat de hand omhoog, als ‘stopteken’.
Etiquette
Je kunt je wel voorstellen dat we onderhand zo geroutineerd zijn in deze skate-etiquette dat we er niet eens meer bij na hoeven te denken en dat we alles wat we op onze weg tegenkomen al automatisch benoemen, aanwijzen of wapperen. Zo ongeveer een beetje als een klein kind op de achterbank van de auto, die alles wat ze ziet, heel irritant opnoemt.

Frappant, maar ook wel grappig, is dat ook de laatste rijder vaak nog steeds, geheel onnodig, naar achter door roept. Een keer reed er een wielrenner in ons wiel, lekker uit de wind. Hij bedankte ons netjes voor het seinen. Ja, die wielrenners dus, zijn net als u, ook allemaal hele nette medeweggebruikers!

Oh ja A sorry dat we je vergeten waren de eerste rit van het seizoen. Onvergeeflijk…, de mail is ondankbaar en zeker niet feilloos, maar kun je ons toch nog vergeven, je hebt ons immers de gebaartjes gebracht! Die gebaartjes maakt ons dat we aan jou denken…en als je weer meerijdt houden we je voortaan uit de wind met onze dikke kont / brede rug (streep maar door waar je niet wilt rijden).

Roeien tegen de stroom..

Roeien tegen de stroom of against the wind…

In tegenstelling tot  go-with-the-flow, levert roeien tegen de stroom meer op, letterlijk en figuurlijk. Niet alleen dat, je moet ook meer in huis hebben om tegen de stroom in te roeien. Een behoorlijke dosis koppigheid, volhardendheid, uithoudingsvermogen en enthousiasme zijn toch wel de minste ‘brandstofleveranciers’ voor het roeien tegen die stoom.

Klapperolie

Klapperolie
Hai. hier weer een blogje van de skateguru! Na enige tijd wat stilte op mijn blogstekkie, weer een nieuw stukkie! Geen makkelijk stukkie by the way en je moet echt op die links klikken en je een beetje inlezen.
Mijn vaste lezers, waarvan de meesten ook bedreven in de schaatssport, denken bij het lezen van deze titel waarschijnlijk onmiddellijk aan het vet, of de olie, waarmee het klapmechaniek van de klapschaats, met enige regelmaat, gesmeerd dient te worden en zitten nu op de punt van hun stoel. Hoe teleurgesteld zullen ze zijn, als deze blog nu ergens anders heen leidt. Om die teleurstelling enigszins te beteugelen, zal ik trachten van deze blog een toch wat inspirerend proza te maken. Ik heb nog wel getwijfeld of ik het zou publiceren. Het is toch niet zo fashionable als Sonja Bakker of Dr. Frank. Je hoeft er niks voor in huis te halen, zoals bij Atkins en ja, het is niet echt duur en je hebt daarom eigenlijk niks om over op te scheppen.

 
Laat uw eten uw medicijn zijn (Hippocrates).
Mijn bewondering voor de mensen met het kritische tegengeluid rond voeding (Paleo: klik hier voor het paleo perspectief http://melchiormeijer.wordpress.com/2012/03/02/goed-voor-hart-en-bloedvaten-aflevering-21356/#comments ) heb ik de laatste tijd niet onder stoelen of banken geschoven. Niet alleen omdat ik altijd een zwak heb gehad voor de underdogs van onze en oudere beschavingen, voor de Davids, voor de Gandhi’s en voor de Job’s, kortom voor mensen met andere ideeën, maar ook omdat ik onze officiële instanties die zogenaamde goede voeding promoten niet meer vertrouw. Om een lang verhaal kort te maken: ik heb mij zelf 8 dagen geleden tot proefpersoon gepromoveerd: ik heb mij zelf een beperkt Paleo-dieet opgelegd. “Je bent gek!, Waarom? Je moet toch brood eten vanwege de vitamines en de vezels? Becel is beter als boter. Van vet wordt je dik. Brood maakt slank. Eet dan slanke lijn crackers!” en veel meer van zulke goed bedoelde opmerkingen heb ik uit mijn directe omgeving moeten verduren.
Waarom?
Waarom eigenlijk? Waarom wil ik toch een beetje meer afvallen? Dat zit zo: zondag 15 april loop ik een stukje (10k) van de marathon van Rotterdam, samen met een paar collega’s, want dat verbroedert, leidt tot betere samenwerking, en je bent er weer eens uit met zijn allen blah blah . “Geen probleem voor jou als schaatser / skeeleraar / fietser”, zult u dan ongetwijfeld denken. Mis! Dit stukje probeer ik namelijk ieder jaar met mijn collega’s te lopen en ik begin dan ook ieder jaar vol goede moed aan de training en ieder jaar moet ik ergens, als ik het 3km punt van de trainingen nader, weer afhaken vanwege een hardnekkig terugkerende lopers blessure:, de zgn ‘shin splints’. “Bio-mechanisch gezien vang je met iedere hardlooppas bij het neerkomen 3x je lichaamsgewicht op” dicteert de hardloopsite. Bij mij is dat dan per pas 261kg, reken zelf maar verder uit. Bij schaatsen is dat niet zo want daarbij ondersteun je alleen maar je lichaamsgewicht die je vanuit een statische houding zijwaarts moet wegduwen. “Shin splints ontstaan door toegenomen belasting”, dicteerde de fysiotherapeut en ook de sportarts. Deducerend kon ik uiteindelijk maar twee dingen bedenken om die belasting te vermijden, waarvan de eerste: ‘niet hard lopen’ geen optie was (uit collegiaal oogpunt dan) en de tweede een ander soort inspanning vergt, namelijk gewicht verminderen. Nu kun je natuurlijk allerlei diëten volgen om af te vallen. Diëten uit een potje of shakes uit een zakje zie ik niet zitten, maar ook in vetverlaagde, suikervrije en light producten geloof ik niet. Honger lijden wilde ik ook niet dus dacht ik met een paleo-light dieet (vergeef mij het gebruik van het woord ‘light in deze combinatie) wel wat te bereiken. In Paleo zijn noten, zaden, vlees, vis, groenten, knollen, fruit een must en zijn koolhydraten van grassoorten zoals tarwe- of mais-, en verder soja- of zetmeel houdende producten (brood, beschuit, crackers, koekjes en sauzen en alle andere kant-en-klare dingen) not done en wanneer je die toch gebruiken wilt, dan toch zeker beperkt. Lastig want dat zetmeel uit tarwe en mais zit bijna overal in. Daarom moet je dus de klant-en-klare sauzen, in potjes en zakjes, en dergelijke, mijden als de pest. De ‘light’ in mijn Paleo staat bij mij voor: ‘beperkt’ maar toch één boyterhammetje per dag en wat aardappels (is een knolletje) en boekweit voor de koolhydraten’. De basisidee van Paleo is dat tarwe en mais eigenlijk graszaden zijn die gezien vanuit evolutionair perspectief, niet geschikt zijn voor het menselijk spijsverteringssysteem. Het bekende bierbuikje waar altijd over gegrapt wordt, is in feite een ‘tarwebuikje’.
Test:
Maar, zoals ik al zei, ik had mezelf tot testkonijn gebombardeerd, ‘put the word to the test so to say’ en dat is letterlijk. 7 dagen geleden ben ik dus begonnen. Van mijn standaarddieet van 7 boterhammen per dag (met pindakaas en vleeswaren), krentenbolletje, ontbijtkoek, sultana of ander verantwoorde crackers, speculoosje bij de koffie ben ik gegaan naar 1 boterham per dag. Die ene boterham is dan bij mij de lunch, besmeert met echte boter, vlees, ei of vis, rijkelijk sla en toma at of komkommer en een stukje fruit erbij. Het ontbijt is echt afzien, slechts een gekookt, gescrambled of gebakken eitje of een stukje kip van de vorige avond. Het avondeten daarentegen is gewoon het standaardwerk: groenten, vlees of vis, aardappeltje (geen pasta of rijst want dat is weer dat ‘graszaad’) en géén toetje. De eerste 4 dagen waren zwaar, echt ‘cold turkey’ gevoelens met behoorlijk wat lichte momenten in het hoofd en trillende handen. Dat komt natuurlijk doordat je gewoon de dagelijkse dosis koolhydraten en de daarmee samenhangende schommelende bloedsuikerspiegel mist. Nu, met dit tussen aanhalingstekens, ‘dieet’ heb ik geen honger, maar ik heb gek genoeg ook niet die onbedaarlijke trek die ik verwacht had en lanceer dientengevolge ook geen onverwachte aanvallen meer op de koekjestrommel. Want wat is nu het gekke (de Paleo volgers, maar ook de medisch en biologisch onderlegde medemensen zullen nu zeggen ’logische’) : doordat je al geen koolhydraten in je ontbijt hebt, maar slechts eiwitten, heb je ook niet de gebruikelijke afterdip om 10.00 uur s’morgens en heb je ook geen behoefte meer aan zo’n zoet en verantwoord koekmetkrenten tussendoortje. Ja ook die verantwoorde tussendoortjes zijn de koolhydraten van het verkeerde soort!
Resultaat:
Qua kg’s en afvallen is dit niet echt spectaculair. De eerste 4 dagen waren zwaar, zoals ik al schreef, géén kilo afgevallen ook, frustrerend zelfs. Nu op de zevende dag blijk ik plots 1 kilo te zijn afgevallen. Voel me totaal niet moe, maar juist energiek. Ben benieuwd naar de volgende 7 dagen.
Klapperolie:
Tja, die klapperolie uit de titel dus. Dit is ook wel een hele mooie benaming uit ons “Indische” verleden voor kokosolie (ook wel kokosvet genoemd omdat het in ons klimaat stolt en in de tropen, boven de 25 graden Celsius, vloeibaar is). Vet is goed voor u, niet slecht! Dat zou de gangbare  slogan moeten zijn. Vergeet dus de Becel en al die andere gezonde smeerseltjes maar, die zijn alleen maar goed voor de portemonnee van Unilever, neem liever Roomboter of Kokosolie (http://medischcontact.artsennet.nl/Nieuws-26/Tijdschriftartikel/16546/Twijfels-over-Becel-pro.activ.htm) en hier http://www.kokosolieplein.nl/ ). Indo’s heb ik ook in de familie en van de logeerpartijtjes van vroeger, toen ik nog kind was, herinner ik me de aparte geur in de keuken en de frisse smaak op het brood. Vitale mensen ook die Indo’s in mijn familie, met een prachtig huidje ook nog, want na het douchen smeer je jezelf met diezelfde kokosolie in, puur en onverdund. Tig keer beter als Dove of Oil of Olaz. Ahum, ja, je zult mij binnenkort wel in de plaatselijke toko zien alwaar ik mijzelf wat Kokosolie zal aanschaffen. Die Becel en die Goede Start die gaan de deur uit. En de olijfolie? Die mag wat mij, maar ook de deskundigen betreft wel blijven. Volgende week maar weer eens op de weegschaal.


 Five fingers:
Hier in huis wordt al gegrapt dat ik binnenkort ook met Hobbit voeten (Vibram Five Fingers) ga lopen, hmmmmm dat weet ik nog niet hoor..

eten als Fred Flintstone?

Is koolhydraat stapelen passé? Moeten we eten als Fred Flinstone of Captain Caveman  om een betere sporter te worden?

Lees van de ‘paleo guy’ deze blog. Of het de waarheid is of niet, geeft in ieder geval een heel andere kijk op ons dieet dan voorgeschoteld door ons nationaal “voorlichtingsbureau goede voeding”  voedingscentrum.nl  of ander voorlichtingsbureuas met betrekking tot onze dagelijkse voeding. Wat dan nog zo frappant is, is dat iedere voedingsbranche zijn eigen “gesponsoorde” voorlichtingsbureau heeft (de vetindustrie, de broodindustrie, de suikerindustrie) en dat er dan behoefte is aan een onafhankelijk voorlichtingsbureau. Maar die is er toch? zult u zeggen. Nou neen, het voedingscentrum wordt namelijk ook gesponsord en is dus niet onafhankelijk. We gaan verder met het verhaal over koolhydraten. Er is in ieder geval genoeg wetenschappelijke onderbouwing om ons tarwe en suikerdieet, niet alleen met betrekking tot (top-)sport, maar ook voor ons dagelijkse normale voedingspatroon, in gerede twijfel te trekken.
Klik op de link:   http://melchiormeijer.wordpress.com/2012/02/20/beknoptepaleo-primer-ook-geschikt-voor-atleten/#comment-1298

Elfstedentocht en het geheim

Elfstedentocht, hoge noren en het geheim van Reinier.

De Weissensee:

Voorwoord: Een aantal schaatsvrienden was afgereisd naar de Weissensee en om ze een hart onder de riem te steken wilde ik een leuk stukje schrijven, echter het kwam er maar niet van. Druk, druk, druk, druk op het werk, druk thuis, de bekende smoesjes. Natuurlijk kwamen ze terug met de te verwachten heroïsche verhalen, gelardeerd met foto’s en natuurlijk hadden ze het over de geweldige kou, de lange afstand, de scheuren in het ijs en het enorme afzien. Dit en het feit dat de “echte” Elfstedentocht er misschien zit aan te komen, maakt het dat ik het eerder geschreven onderstaande stukje nogmaals aan de vergetelheid wil onttrekken.

Een column schrijven begint altijd met een paar loze woorden, kreten of zinnetjes die je ergens hebt opgeschreven of opgeborgen in je geheugen tot dat.. Ja tot dat enkele ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen de ‘trigger’ doen overhalen. Wat hebben oorlog, onderduiken, verzet, dienstplicht, Weissensee, wielrennen en een oude “Rossin” in godsnaam te maken met schaatsen. Daar mee bedoel ik niet alleen het moderne schaatsen van tegenwoordig, maar ook het “schaatsen”, van heel lang geleden. Uit de tijd toen er nog geen klapschaatsen bestonden of aerodynamische strippen. Uit de tijd dat hoge noren, verontschuldig mij deze beeldspraak, nog in hun kinderschoenen stonden.

ReinierPaping

Iedereen weet dat Reinier Paping in 1963 de Elfstedentocht won. Het geheim van die overwinning zat ‘m in zijn broek. ‘Lullig’ omdat na zo veel jaar toch zo en op die manier en met die woorden op te schrijven. Reinier was iemand die graag leerde van de ervaring van anderen. Maar wat heeft dat te maken met oorlog, verzet en dienstplicht? Ik zal het uitleggen. Mijn vader zat in de oorlog in het verzet. Uiteindelijk moest hij onderduiken en via een lange vlucht belandde hij vlak voor het eind van de oorlog in Engeland. Daar kwam hij te varen bij een bergingsmaatschappij die de opdracht had de gebombardeerde Duitse havens weer voor scheepvaartverkeer in orde te maken. Twee jaar lang meed hij de Nederlandse havens omdat hij ergens in zijn achterhoofd ook wel wist dat hij nog dienstplichtig was. Maar daar had hij net even geen zin in omdat hij in het verzet wel genoeg geweld had meegemaakt. Toen op zekere dag het schip waarop hij voer averij had en een Nederlandse haven moest aandoen, stond de MP hem al op te wachten en de dienstplicht ook. In zijn geval werd het de marine. Zijn ‘slapie’ was ene J. van den Berg. En die man kon alleen maar over lullen over schaatsen en overal had hij wel oplossingen voor, zo ook voor de kou. Ik denk dat iedere Nederlander van boven de 40 wel weet dat je als schaatser bij extreme kou een krant onder je kleding moest vouwen. Maar hoe deed je zo iets in je broek? Een krant in de schaatsbroek kriebelt en schuurt in de liezen tijdens het schaatsen, maar vooral bij het klunen! In navolging van hun schaatsende collega’s gebruikten wielrenners in die tijd ook wel de krant tegen de kou. Je kunt je zo voorstellen dat er aan het begin van zo’n lange afdaling in de Pyreneeën, fluks een krant onder het hempje gestoken werd. Maar in de broek nee, daar liepen wielrenners vooruit op de schaatsters en hadden toen al de zeem. Jeen had daar van geleerd… en droeg, bij extreem koud weer, heel slim, de koersbroek met de zeem achterste voren en gaf deze kennis door aan anderen en via via hoorde Reinier daar van. De tocht van ‘47 en de daaropvolgende tocht was niet zo koud en deze tip werd door bijna iedereen weer vergeten, maar niet door onze schoolmeester Reinier. De winter van 1963 was al heel lang extreem koud en Reinier had geen koersbroek. Daarom had de vrouw van Reinier, met de weersverwachting van die dag, en ongewtijfeld ook haar huwelijksleven, in gedachten, een zeemleren kruis in Reinier zijn onderbroek genaaid, gelijk de wielrenners tegen zadelpijn, maar dan van voren. Het was niet alleen lekker zacht, maar het isoleerde ook nog eens geweldig. Reinier Paping behaalde in deze heroïsche tocht de overwinning, niet alleen door zijn kracht en doorzettingsvermogen, maar vooral, en dat punt is altijd zwaar onderbelicht gebleven, omdat zijn belagers stuk voor stuk achterbleven met stijf bevroren genitaliën. Het alom bekende vrouwelijke scheldwoord (drie letters, middelste letter een ‘u’) was dan ook veelvuldig te horen in het peloton. Ik denk overigens niet als scheldwoord (schaatsers zijn immers nette mensen) maar meer als hartenkreet, verlangend naar warmte. Er waren overigens nog meer dingen bevroren, zoals ogen, neuzen en tenen. Van deze laatste is er een afgezet exemplaar bewaard op sterk water. Overigens, je kunt deze relikwie bezichtigen, in het schaatsmuseum in Hindeloopen. En hoe zat het dan met die bevroren genitaliën in 1963, waarvan men geen relikwieën heeft bewaard? Die  heeft men toen, en dat heb ik niet uit de eerste hand, maar van horen en zeggen, met hand-en-spandiensten weer kunnen ontdooien.

De oplettende lezer, en dat bent u, zal zich op dit moment toch zeker fronsend afvragen wat dit nou allemaal heeft te maken met de Weissensee en die “Rossin”?

De Weissensee:

Een aantal schaatsvrienden was afgereisd naar de Weissensee, dat was u reeds bekend. Ze gingen naar de Weissensee, voor het natuurijs natuurlijk, en wat is het leuk om je te verkneukelen terwijl zei daar zijn en wij hier, dat het hier serieus gaat vriezen. Waren ze daar van geschrokken, van dat beetje nachtvorst hier, Niet echt en om hun ervaringen daar te omschrijven: “er hangt hier een onwijze sfeer, niet te vergelijken met Nederland. Het licht, de berglucht en het feit dat iedereen daar aanwezig is met dat ene doel, die 200km te bedwingen, bezwangerd de atmosfeer met verbroedering, liefde en vriendchap. Liefde voor het ijs en schaatsen, verbroedering om dat het leed en succes met elkaar gedeeld wordt en soms vriendschappen voor het leven”.

De Rossin
De “Rossin” was en is nu weer opnieuwe de oude en vertrouwde racefiets van Twittervriend en clubgenoot Alain. Dit klinkt mysterieus? Zijn column over deze fiets (beslist lezen mensen, hij staat hier http://alain.lafeberhof.nl/?page_id=405 ) en over zijn berijders, was de laatste trigger voor deze column. Want ik vind dat de mensen om ons heen, de jonge maar ook de “oude” en helaas soms ook overleden mensen en hun verhalen, moeten worden geëerd door de overlevering: de overlevering van de verhalen die wij op onze beurt weer doorvertellen of opschrijven, bloggen of columniseren. Is er ook iemand die het verfilmen wil?

Daarom, vanwege de “overlevering”  die we willen bewaren hier een link naar de schaats- en Elfstedenverhalen van schaatsvriend Hans van W  inmiddels ook 50-iets :http://home.kpn.nl/hansvw/allskate/allskate.html

Haar van boven

Haar van boven!

kaalheid zit in onze genen
kaalheid zit in onze genen

Nee ik leid niet aan de ziekte van Hedel (hier moet je dus verder rijmen met: haar op je ….orst, maar niet op je schedel””) ben dus niet kaal, nog niet tenminste. Hoewel ik al sinds mijn 16e inhammen boven mijn voorhoofd heb, het klassieke voorbeeld van het typische erfelijke mannelijke haarpatroon dat ‘Alopecia androgenetica’ heet, maar gelukkig tot voor kort niet verder schreed dan die twee inhammen en een lichter wordende kruin, bekroop mij laatst bij de kapper een onaangenaam gevoel.

Je hebt fijn haar…
Een slag met een moker had geen hardere klap kunnen geven dan deze ogenschijnlijk onschuldige woorden. “Je hebt fijn haar!” zei ze dus, terwijl ze met een zorgelijke blik haar vingers door mijn haar liet woelen en indringend naar mijn spiegelbeeld keek. In je paniek, langzaam overgaand in wanhoop, denk je nog, of wil je denken, dat het een compliment is, maar je weet wel beter. In haar blik vind je de nimmer uitgesproken woorden: “nog een paar keer knippen en dan is ’t over en dan kan hij voortaan zichzelf wel redden met tondeuse of scheermes”.

Mislukte oogst
Ze keek nog eens naar mijn scalp met de blik van een boer die naar zijn door droogte mislukte oogst kijkt. “Had ik maar iets anders gezaaid, had ik maar meer geïrrigeerd, had ik maar meer kunstmest gebruikt”. Je kent vast wel zo’n droevige boer, niet op zoek naar een vrouw of partner van dezelfde kunne, maar zo’n door misoogsten en mond-en-klauwzeer geplaagde boer die geïnterviewd werd door ‘hart van Nederland’, in een kort opvulitem vlak voor onze olijke nationale ‘oant moarn’ weerman en daarmee vergelijkbare gevoelens omtrent mijn voormalige goudgele Beachboykapsel weergevend.

Kunstmest
Ik wil nog gewoon heel lang kapsalons blijven inlopen (is dat nou teveel gevraagd?) zonder dat men mij aankijkt met zo’n meewarige verveelde hairstylistenblik van: “Wat doet u hier? Komt u iemand ophalen? Een knipbeurt kan zeker niet de bedoeling zijn”! Je merkt ’t al, ’t ligt gevoelig, mijn vader had tenslotte ook nog al zijn haar op zijn 84e, waarom ik dan niet? Moet ik me dan tot kunstmest of ander ingrepen wenden? Een echt mooie schedel heb ik niet, vind ik zelf, en daarbij ben ik ook nog eens heel erg gehecht aan mijn spiegelbeeld met ergens boven mijn gezicht een verzorgd, toch ietwat warrig donkerblond kapsel met hier en daar een oplichtende platina grijze eigenwijze kemp (http://en.wikipedia.org/wiki/Kemp_(wool).  Mijzelf hier in verdiepend kwam ik heel wat informatie tegen op internet en in de winkels, met aan het ene kant van het haarverzorgingsspectrum de huis-tuin-en-keukenremedies en tot verbeelding sprekende alchemisten goedjes en aan de andere kant de hormonale en (pseudo-)wetenschappelijke haargroeimiddelen. ‘Kaalheid’ als zoekopdracht in google alleen geeft al meer als een kwart miljoen Nederlandstalige resultaten, ‘haargroeimiddel’ ongeveer net zo veel. Het leeft dus wel onder de bevolking. Na diep- en wortelgravend onderzoek lijkt er nog één redmiddel over, Finasteride (http://en.wikipedia.org/wiki/Finasteride ), maar dan ook alleen voor het bewaren van enig resthaar op de kruin, mits op tijd erbij. De inhammen zijn bij voorbaat al reddeloos verloren. Tenminste, als je de bijwerkingen van Finasteride voor lief wilt nemen. Is dan alles reddeloos? Nee, als je echt wanhopig bent, kun je ook nog gaan herbeplanten. Zou een ‘paleo’ dieet (paleo) hierbij misschien nog een uitkomst kunnen bieden????? Ik vraag het maar aan de experts…….je weet maar nooit, hoewel ik ook wel eens documentaires zie met Chimpansees, waarvan algemeen bekend is dat zij een paleo-dieet volgen, met een typische mensen mannelijke hoofdbeharing voor mannen van 45-zoveel…… Het zit dus in ieder geval heel heel diep in onze genen.

Herbeplanten
Over herbeplanten ben ik kort: ‘Gerard Joling’ en ‘Dick Advocaat’.

Gelukkig
Verder heb ik al mijn tanden en kiezen (op één verstandskies na) nog, heb ik geen implantaten, kunstledematen of –gewrichten, geen ernstige afwijkingen of ziektes en moet ik, maar dat kan ik ook, vrij veel sporten om de dreiging van overgewicht af te wenden. Gelukkig…..